Vereniging‎ > ‎Repertoire‎ > ‎nederlands‎ > ‎

Aan het strand stil en verlaten

1. Aan het strand stil en verlaten,
Bij het klimmen van de maan,
Ziet men daar een aardig paartje,
Zeer van weemoed aangedaan.
"Liefste, ‘k moet je gaan verlaten,
Morgen ga ik weer naar zee,
En dan trouwen als ik thuiskom,
Hier op Hollands stille ree!"
Maar zij sprak: "Ach liefste mijne,
Spreek zover niet in ‘t verschiet,
Want de zee ligt vol met mijnen,
En die dingen zie je niet!"

2. Dobberend op de woeste baren,
Stuurde hij z’n scheepje voort.
Maar wat daar opeens gebeurde:
Een ontploffing werd gehoord!
‘t Schip verdween al in de diepte,
Angstig keek hij om zich heen.
Nergens kon hij redding vinden,
Mensenlief waar moet dat heen?
Terwijl hij worstelt met de golven
En de dood voor ogen ziet,
Denkt hij aan zijn liefste meisje,
Die hij thuis daar achter liet.

3. Aan het strand stil en verlaten
Ziet men daar een meisje staan.
Die al turend en al smachtend,
Wacht de komst van hare man.
Hij zal immers wederkeren,
Hij beloofde haar toch trouw
En dan krijgt ze zo’n verlangen,
"Word ik toch zijn lieve vrouw?"
Maar hij keerde nimmer weder
Want de dood vaart om ons heen,
En zij keerde telkens weder
Aan het strand ……. Stil en alleen!